Levenslange vrijstelling patronale RSZ op groepsniveau?

De taxshift-wet van 26 december 2015 bevat, zoals bekend, verschillende maatregelen waarmee de regering een verlaging van de lasten op arbeid wil realiseren. In het licht hiervan werden vanaf 1 januari 2016 de bestaande doelgroepverminderingen voor de eerste aanwervingen versterkt en uitgebreid.

1. ‘Levenslange’ vrijstelling van sociale bijdragen voor aanwerving eerste werknemer

Voor de aanwerving van een eerste werknemer tussen 1 januari 2016 en 31 december 2020 kan de (kmo)-werkgever een vrijstelling van sociale bijdragen voor onbepaalde duur genieten.

De vrijstelling voor de eerste werknemer is bovendien niet gepersonaliseerd. Indien nadien nog bijkomende werknemers worden aangeworven, kan de werkgever ieder kwartaal aanduiden voor welke werknemer hij de vrijstelling wenst in te roepen. De vrijstelling is aldus overdraagbaar. Ook het ontslag van de eerste werknemer brengt de vrijstelling niet in gevaar.

Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling moet de werkgever “nieuw” zijn. Een werkgever is nieuw indien hij:

  • ofwel nog nooit personeel heeft tewerkgesteld;
  • ofwel geen personeel heeft tewerkgesteld in de loop van de vier kwartalen voor het kwartaal waarin de eerste werknemer wordt aangeworven.

Iedere nieuwe vennootschap die voor het eerst een werknemer in dienst neemt, kwalificeert aldus als een nieuwe werkgever en komt in principe in aanmerking voor de vrijstelling.

2. Wat met nieuwe ondernemingen binnen dezelfde groep?

De wet bepaalt evenwel dat een “nieuwe” werkgever toch niet van de vrijstelling kan genieten "indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de vier kwartalen voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest".

In de wet wordt het begrip 'technische bedrijfseenheid' niet gedefinieerd. Volgens de administratie van de RSZ is er sprake van een technische bedrijfseenheid wanneer twee (of meerdere) juridische entiteiten verbonden zijn door minstens één gemeenschappelijke persoon (een werknemer, een bedrijfsleider, …) én deze juridische entiteiten een gemeenschappelijke socio-economische basis hebben. Elementen die daarop kunnen wijzen, zijn volgens de administratie van de RSZ:

  • plaats (gebouwen op dezelfde plaats of in nabijheid);
  • activiteiten (verwante en/of aanvullende activiteiten);
  • bedrijfsmateriaal (geheel of gedeeltelijk hetzelfde);
  • cliënteel;

Het typevoorbeeld van een vennootschap die als nieuwe werkgever tot een technische bedrijfseenheid kan behoren is de nieuw opgerichte familiale holding, die alle aandelen van een exploitatievennootschap verwerft. Betekent dit dat dergelijke familiale holding niet in aanmerking kan komen voor de vrijstelling wanneer zij een eerste personeelslid in dienst neemt?

Indien er sprake is van een technische bedrijfseenheid dan wordt de vrijstelling inderdaad niet toegekend maar enkel in zoverre de nieuw in dienst genomen werknemer binnen de technische bedrijfseenheid een werknemer vervangt.

De administratie van de RSZ gaat als volgt te werk om te beoordelen of er sprake is van een vervanging:

  • men bepaalt het maximum aantal werknemers dat gelijktijdig in dezelfde technische bedrijfseenheid was tewerkgesteld in de loop van de vier kwartalen die aan de aanwerving voorafgaan (A);
  • vervolgens neemt men het totaal aantal werknemers dat op de eerste dag door de nieuwe werkgever aangeworven wordt, verhoogd met het aantal werknemers dat eventueel nog tewerkgesteld is door andere werkgevers in dezelfde technische bedrijfseenheid (B);
  • indien (B) ten minste één meer bedraagt dan (A), wordt de vrijstelling toegekend.

Het enkele feit dat een nieuwe werkgever, bijvoorbeeld een familiale holding, tot een technische bedrijfseenheid met een bestaande werkgever behoort, betekent aldus niet automatisch dat de nieuwe werkgever geen aanspraak meer kan maken op de vrijstelling.